Sport verbroedert? Soms juist niet

Sport verbindt, verbetert de gezondheid en brengt mensen samen. Problematische aannamen, vinden experts Agnes Elling en Kay Mars. Hoe positiever het verhaal over sport, hoe makkelijker structurele ongelijkheden uit beeld verdwijnen. ‘De ene vorm van verschil vinden we vanzelfsprekend, de andere meteen gevoelig of verdacht.’ Door Floris Rietveld

Iedereen moet kunnen sporten, maar hoe vertaal je dat in goed beleid? 

Kay Mars: ‘In beleid zie je vaak een spanningsveld tussen generiek beleid en specifiek doelgroepenbeleid. Generiek beleid betekent dat in principe iedereen kan meedoen. Dus: sport is voor iedereen, het aanbod is open, iedereen is welkom. Dat klinkt logisch, maar het risico is dat je daardoor niet meer ziet welke groepen tegen extra drempels aanlopen.’

Agnes Elling: ‘Daarom heb je soms juist ook doelgroepenbeleid nodig. Maatregelen die inspelen op specifieke belemmeringen. Denk aan aangepast sportaanbod voor mensen met een beperking of activiteiten die rekening houden met financiële of sociale drempels. Het probleem is niet dat doelgroepenbeleid verkeerd is. Het probleem ontstaat als beleid óf te generiek wordt en ongelijkheid uit beeld laat verdwijnen, of zo specifiek wordt dat mensen worden vastgezet in stereotype categorieën.’

Op een sportpark in Groningen organiseert een inclusie-team jaarlijks een krijt-actie om op een laagdrempelige manier het gesprek aan te gaan over diversiteit en inclusie op het sportpark. De uitdaging hierbij is om ook ruimte te blijven maken voor lastige, ongemakkelijke gesprekken.

Helpt doelgroepenbeleid altijd? 

Mars: ‘In mijn onderzoek zie ik dat er in sportbeleid veel aandacht is voor wat ik maar even de ‘makkelijke’ vormen van diversiteit noem: kinderen, ouderen, mensen met een fysieke beperking. Daar durven beleidsmakers heel gericht op te sturen. Als het gaat over religie, etniciteit of seksualiteit, zie je veel sneller een terugval naar generieke taal. Deze onderwerpen zijn gevoeliger. Dan wordt het ineens: sport voor iedereen, positief sportklimaat of samen meedoen. Daarmee verdwijnt de specifieke ongelijkheid uit beeld.’

Elling: ‘Dat zie je ook in de taal van beleid. Termen als positief sportklimaat of sport voor iedereen klinken sympathiek, maar kunnen ook verhullen waar het echt over moet gaan. Denk aan discriminatie, racisme of haat jegens queer personen. Natuurlijk wil iedereen een positief sportklimaat. Maar als je het niet ook expliciet over anti-discriminatie hebt, doe je alsof dat probleem er niet is.’

   Maak beleid niet alleen over mensen, maar met mensen’

Welk beleid bijvoorbeeld, is bedoeld om inclusie te bevorderen, maar veroorzaakt uitsluiting? 

Mars: 'Een duidelijk voorbeeld uit mijn onderzoek is vrouwenzwemmen in Den Haag. Dit is een buurtinitiatief, bedoeld om het vrouwenzwemmen dat voorheen veel gebeurde, opnieuw te stimuleren. Enkele lokale politici en ambtenaren zetten dit zwemuurtje, juist door de multiculturele context, weg als iets voor één specifieke groep: orthodox-islamitische vrouwen. Ze presenteerden het als boegbeeld van falend multicultureel beleid. Terwijl vrouwenzwemmen op veel plekken in Nederland heel normaal is en door veel verschillende vrouwen wordt bezocht.’

‘Daar ontstaat paternalisme: beleidsmakers en politici vullen in voor wie zo’n voorziening bedoeld is en wat die vrouwen nodig zouden hebben. Bij het vrouwenzwemmen zit daar ook nog een racistisch en etnisch element in verweven: witte en voornamelijk mannelijke beleidsmakers die vrouwenzwemmen reduceren tot iets dat alleen voor orthodox-islamitische vrouwen is. Vervolgens zetten ze in op gemengd zwemmen omdat dat de ‘integratie’ en ‘emancipatie’ van deze vrouwen zou bevorderen. Terwijl de initiatiefnemers of de gebruikers zelf vaak een veel bredere groep voor ogen hebben. En zelfs als het vrouwenzwemmen wel vooral voor islamitische vrouwen zou zijn: waarom zou dat slecht zijn? Er zijn immers vaak ook aparte zwemuren voor andere doelgroepen, zoals ouderen of ouders met jonge kinderen.’

Diversiteit-in-sport congres “Dag van Queer & Sports”, november 2022. Doing diversity betekent in de praktijk veel praten over diversiteit.

   Wat is er mis mee als vrouwenzwemmen vooral voor islamitische vrouwen zou zijn?’

Zie je dit paternalisme vaker in de sport? 

Elling: ‘Bij sommige vormen van sport vinden we aparte groepen heel normaal, zoals specifiek sportaanbod voor mensen met een beperking of studentensport. Maar aparte uren voor vrouwen in een zwembad worden al snel als niet-integrerend gezien, zeker als er een associatie met de islam is. Terwijl het sportaanbod toegankelijker maken voor groepen die ondervertegenwoordigd zijn, een van de uitgangspunten is van sportstimuleringsbeleid. En daarbij moeten we niet te veel voorwaarden creëren, maar juist aansluiten bij wat die specifieke groepen nodig hebben.  Dat laat zien hoe normatief beleid eigenlijk is: de ene vorm van verschil vinden we vanzelfsprekend, de andere meteen gevoelig of verdacht.’

Waar botst hier de papieren werkelijkheid het hardst met de praktijk? 

Elling: ‘Op papier is sport vaak per definitie iets goeds. Dat zie je al decennia: sport zou automatisch gezond zijn, verbindend en emanciperend. Maar in de praktijk is dat veel minder vanzelfsprekend. Sport kan verbinden. Maar sport kan ook uitsluiten, vernederen of bestaande hiërarchieën bevestigen. In de kleedkamer, op de tribune of in de bestuurskamer kunnen racistische grappen, grappen over queer personen of seksisme heel hardnekkig zijn.’

Mars: ‘Juist omdat sport zo vaak wordt neergezet als gezellig, gezond en positief, wordt het lastig om het ook over de schaduwkanten te hebben. Dat gezellige beeld vergroot soms juist het probleem. Dan lijkt het alsof we het vooral niet te zwaar moeten maken, terwijl uitsluiting wel degelijk plaatsvindt.’

   Als je discriminatie niet benoemt, doe je alsof dat probleem er niet is’

Aan sport worden allerlei positieve kenmerken toegekend, maar er is weinig zicht op mechanismen van uitsluiting. Op de foto: familiedag in 2017, een jaarlijks voetbaltoernooi georganiseerd door de voetbalvereniging Faja Lobi KDS in Utrecht,

Jullie noemen ook intersectionaliteit. Wat betekent dat concreet voor sportbeleid? 

Mars: ‘Intersectionaliteit is een manier van kijken naar ongelijkheid. Iemand kan tegelijk met meerdere vormen van ongelijkheid te maken krijgen, op basis van bijvoorbeeld gender, etniciteit, leeftijd of beperking. Die overlappende en op elkaar inwerkende vormen van ongelijkheid kun je niet los van elkaar begrijpen of aanpakken. Intersectioneel beleid betekent dus dat je niet doet alsof een doelgroep één homogene groep is. Je kunt prima LHBTI+-beleid hebben, maar dan moet dat niet impliciet alleen aansluiten op de witte, hoogopgeleide middenklasse. Binnen zo’n groep bestaan ook weer verschillen in bijvoorbeeld klasse, migratieachtergrond of beperking. Hetzelfde geldt voor beleid voor mensen met een beperking: ook daar spelen andere ongelijkheden mee.’

Elling: ‘Concreet betekent het: mensen in eerste instantie als mens blijven zien, beseffen dat ze nooit tot slechts één groep behoren. Iedereen neemt op alle dimensies een positie in. Afhankelijk van de context kan dat eerder resulteren in meervoudige inclusie – iemand met 7 vinkjes – of meervoudige belemmeringen of uitsluiting, zoals een vrouw met een migratieachtergrond, met weinig geld en jonge kinderen. Tegelijk moet je oppassen dat je geen nieuwe hokjes maakt of een soort rangorde van uitsluiting creëert.’

   Verwerk kennis over inclusie en diversiteit in sportopleidingen’

Wat kunnen beleidsmakers en verenigingen vanaf vandaag al anders doen? 

Mars: ‘Niet wachten op het perfecte plan en gewoon beginnen. Natuurlijk samen met de mensen om wie het gaat. In Groningen hoorde ik van mensen uit een inclusieteam: “We gaan gewoon op het sportpark aan de slag en kijken waar we tegenaan lopen.” Inclusie kun je niet van tevoren volledig dichttimmeren op papier. En misschien wel het belangrijkste: maak beleid niet alleen over mensen, maar met mensen. Betrek de verschillende doelgroepen die je voor ogen hebt bij het ontwikkelen van beleid. Maak ruimte voor ervaringen, expertise en verhalen die wellicht wat minder makkelijk in het systeem of de beleidswereld passen. En zet gelijkwaardigheid centraal in samenwerkingen die je aangaat.’

Elling: ‘Mijn advies: stop met losse projectjes. Veel goede initiatieven verdwijnen zodra de subsidie of de kartrekker wegvalt. Juist dit soort verandering gaat langzaam en in kleine stappen. Dus je hebt lange adem nodig, landelijke steun en mensen met expertise en ervaring in gemeenten en verenigingen die het onderwerp kunnen blijven vasthouden. Daarnaast moet de professionalisering beter. Buurtsportcoaches, trainers en sportprofessionals krijgen in hun opleiding nog te weinig mee over inclusie en diversiteit. Ze moeten in de praktijk vaak improviseren. Als je wil dat toegankelijkheid niet alleen fysiek, maar ook sociaal en financieel beter wordt, dan moet die kennis structureel in opleidingen en organisaties landen.’

Agnes Elling is clusterhoofd Deelname, Inclusie/diversiteit en Sportcultuur en senior onderzoeker bij het Mulier Instituut, dat het snijvlak van sport, samenleving en beleid onderzoekt. Ze onderzoekt sociale ongelijkheid in en door sport, met speciale aandacht voor gender, etniciteit, seksuele diversiteit en hoe die ongelijkheden elkaar kruisen.

Kay Mars is promovendus aan Erasmus Universiteit Rotterdam binnen het NWA-programma Dilemmas of Doing Diversity (DiDi). Hij onderzoekt hoe diversiteits- en inclusiebeleid in sport en recreatie in de praktijk werkt, en waar goedbedoeld beleid juist tot nieuwe uitsluiting kan leiden.

 

 

Dit artikel komt uit de nieuwe Leiden-Delft-Erasmus white paper 'Dilemma's van Diversiteit'. De paper is te downloaden via deze link. Wilt u een papieren exemplaar ontvangen? Stuur een e-mail aan Katja Hoiting via k.hoiting@tudelft.nl 



 

 

Meer informatie vindt u op:
White paper Dilemma's van Diversiteit (PDF)