Van verleden naar vooruitgang: De geschiedenis achter integratiebeleid

Integratiebeleid is gericht op aanpassen aan de witte, middenklasse en patriarchale norm. Dat komt voort uit onze koloniale geschiedenis, volgens historicus Suzan Abozyid. Raphaël Boon, projectleider diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid bij de Gemeente Leiden, ijvert voor een verschuiving. ‘Van je moet je aanpassen naar hoe gaan we het samen doen?’ Door Nynke van Spiegel


Is er in de afgelopen 75 jaar veel veranderd in ons integratiebeleid? Suzan Abozyid: ‘Nee, we willen nog steeds dat groepen mensen zich aanpassen aan ‘ons’, aan de norm. Dat begon al in de 19e eeuw, maar kreeg op beleidsniveau vorm in de jaren ‘50. Aanvankelijk gericht op de onderklasse, de zogeheten onmaatschappelijken: arme (witte) gezinnen in de grote steden, die zich moesten aanpassen aan de middenklassen door heropvoeding. Nu zijn het de niet-witte migranten die zich moeten aanpassen. Een verwachting waaraan ze nooit kunnen voldoen.

‘Het inburgeringsexamen is hiervan een duidelijk voorbeeld. Nieuwkomers moeten aantonen dat zij passen binnen de ‘Nederlandse cultuur’ via meerkeuzevragen die uitgaan van hun inferioriteit. Zo gold ‘slaan’ als serieuze antwoordoptie op de vraag wat men zou doen bij het zien van een homoseksueel stel op straat. Uit onderzoek blijkt bovendien dat een meerderheid van de Nederlanders zelf voor dit examen zou zakken.’ 

   De Indische vrouw moest aardappelen koken in plaats van rijst’

Je kunt integratiebeleid niet loskoppelen van onze koloniale geschiedenis, concludeert u in onderzoek. 

Abozyid: ‘Het idee dat mensen zich moeten aanpassen of “heropgevoed” moeten worden, komt eigenlijk voort uit een koloniale manier van denken. Dat werd al zichtbaar in de jaren ’50, toen mensen van kleur uit het voormalige Nederlands-Indië naar Nederland kwamen.

‘Zij waren Nederlandse staatsburgers, maar toch dwongen overheid en maatschappelijke organisaties aanpassing aan “de Nederlandse cultuur” af door pas zelfstandige huisvesting toe te staan als een gezin voldoende was aangepast. Deze aanpassing werd vooral verwacht van de vrouw, zij moest aardappelen koken in plaats van rijst, een “Oosterse timide” houding inruilen voor de zelfverzekerde mentaliteit van een “Westerse” vrouw en de kinderen streng opvoeden. Arme gezinnen werden daarbij ook nog verdacht van een “Oosterse luie werkmentaliteit”. Zo heeft koloniaal denken – waarbij een hiërarchie bestaat op basis van onder andere kleur, gender en klasse – niet alleen in de koloniën zelf, maar ook in de Nederlandse samenleving grote invloed gehad.’

En dat werkt nog steeds door? 

Abozyid: Je hoeft maar naar de politiek te kijken om dat antwoord te weten. In de jaren ’70 kwam de politieke partij de Nederlandse Volksunie op. Haar extreemrechtse en racistische gedachtegoed is inmiddels zelfs normaal. Die normalisering was mogelijk doordat de heersende politiek de tegenstem van toen nooit serieus nam. Het racisme van de NVU was veelal gericht op de vestiging van Surinaamse migranten in Nederland. 

   Fatsoen hangt af van hoe de meerderheid omgaat met minderheden’

Demonstratie van het Anti-Racisme Comité, dat ontstond op initiatief van LOSON, tegen de Nederlandse Volksunie en Nieuw Rechts, Den Haag, 1975. Het racisme dat toen als onacceptabel werd gezien is nu het fundament van minstens de helft van de Tweede Kamer. Bron: Nationaal Archief, collectie Anefo, 17-5-1975

‘De organisatie Landelijk Overleg Surinaamse Organisaties Nederland (LOSON) organiseerde protesten tegen de NVU en het ervaren racisme in de samenleving, zoals arbeidsmarktdiscriminatie en politiegeweld. Tegelijk streden zij voor betere arbeidsomstandigheden en samenwerking tussen (arbeids)migranten en witte Nederlandse arbeiders. Hun boodschap was duidelijk: kapitalisme en racisme gaan hand in hand. Hoewel het verzet tegen openlijk racisme steun kreeg, bleef echte systeemverandering uit. Nog steeds leven geracialiseerde groepen vaker in armoede.’

Gebeurt dat koloniale normdenken uit onwetendheid, of wordt systeemverandering actief tegengewerkt?

Raphaël Boon: ‘We hebben een patriarchale, heteronormatieve en koloniale erfenis en in ons huidige politieke klimaat wordt daar niet altijd kritisch naar gekeken of er worden geen lessen uit getrokken. Het sentiment is soms eerder: kunnen we weer terug naar die oude tijd?


‘De weerstand verbaast mij soms, want in een democratische rechtsstaat mag je juist veel diversiteit verwachten. Wel kan veel pluraliteit een gevoel van disconnectie creëren. Op het gebied van diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid kun je weerstand verwachten, want daarover verschillen de meningen. Daar ontstaat ook het risico op wij-zij-denken, een scheidslijn waarop sommige politieke partijen handig inspelen en waar wij als DIG-professionals en wetenschappers alsmaar nuance in moeten aanbrengen.’

Abozyid: ‘Lange tijd bestond de overtuiging dat racisme in Nederland geen groot probleem is en dat aanpassing vanzelf tot acceptatie leidt. Tegelijk tonen onderzoeken aan dat integratie op papier vaak geslaagd is, terwijl de ruimte voor racistische politiek groeit. Zo wordt de integratie van migranten uit voormalig Nederlands-Indië achteraf vaak als succesvol gezien. Maar veel van hun nakomelingen ervaren dat anders, omdat daarbij een deel van hun culturele achtergrond verloren is gegaan. Daarom begint verandering bij erkenning: racisme is geen uitzondering, maar een diepgeworteld probleem in de Nederlandse samenleving.’

Levert het oplossen van dit probleem veel ongemakkelijke gesprekken op? 

Boon: ‘We voeren ze niet genoeg: het mag wel wat meer. Om uitsluiting, racisme en discriminatie te bestrijden, heb je een kritische massa nodig. Binnen organisaties zijn collega’s nodig die lastige vragen durven te stellen bij een norm die niet past voor collega’s met bijvoorbeeld bijzonder arbeidsvermogen, neurodivergentie, LHBTIQ+, mensen met een andere etnisch-culturele achtergrond. Als zij dat vanuit verschillende perspectieven doen, ontstaat langzaam het besef dat er iets mee moet gebeuren, dat er een open en inclusieve norm nodig is. Daarnaast heb je bondgenoten in de top nodig die zich hiervoor inzetten. Pas dan kun je echt dingen veranderen.

‘Als diversiteitsprofessional moet je heel goed je woorden kiezen. Als je te veel nadruk legt op diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid, is de opkomst bij evenementen merkbaar lager. Je moet eerder praten over algemenere thema’s als: hoe blijven we verbonden, hoe voelen we ons veilig.’

   Inclusie gaat over jezelf zijn en niemand uitsluiten. Daarmee is het voor iedereen relevant’

Landelijke demonstratie tegen fascisme, kapitalisme, de normalisering van racisme en de ontkenning van genocide, georganiseerd door het 21 maart Comité. Amsterdam, 21/03/2026. Ondanks de politieke normalisering bestaat er nog veel verzet in de samenleving.

Waarom stoten de thema’s diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid mensen af? 

Boon: ‘Ik denk dat sommige collega’s deze thema’s linken aan een landelijk debat waarin er vaak te simpel of zwart-wit over gesproken wordt en dan voelen mensen zich er niet toe aangetrokken. Voor hun gevoel gaat het ze niet aan, omdat ze er niet persoonlijk mee te maken hebben. Onterecht, want inclusie gaat tenslotte over jezelf zijn en niemand uitsluiten. Daarmee is het voor iedereen relevant.’

Waarom is het zo moeilijk om inclusie en gelijkwaardigheid tot standaard te maken? 

Boon: ‘Mensen met een beperking vormen zo’n 10 procent van onze bevolking, zij kunnen zich allemaal verenigen, maar nooit de grootste politieke partij worden. Ze blijven altijd afhankelijk van de goodwill van anderen, ook al is er een juridisch bindend VN-Verdrag Handicap. En dat geldt voor alle minderheden. Fatsoen hangt af van hoe de meerderheid omgaat met de minderheden. Willen we een rechtvaardige samenleving, dan moeten we echt kijken naar hoe iedereen zichzelf kan zijn. Dat fundamentelere gesprek komt te weinig naar voren in onze democratie, waar de korte termijn vaak alle aandacht krijgt.’

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat inclusie en gelijkwaardigheid de norm worden? 

Boon: ‘De veertigers en vijftigers die nu aan de top van organisaties zitten, zijn opgegroeid met het integratie-idee, terwijl ik hoop dat de nieuwe generatie juist opgroeit met een emancipatie-idee. Dus niet “je moet je gaan aanpassen”, maar “hoe gaan we het samen doen?” Van integratie naar emancipatie.

‘We moeten onszelf afvragen: wat voor samenleving willen we zijn? En daarmee ook: wat voor organisatie? Uiteindelijk gaat het om het realiseren van een eerlijker systeem, waar macht en privilege beter worden verdeeld. Tijdens de aftrap van diversiteitsmaand 2025 bij de Gemeente Leiden, met als thema ‘Verbinden in roerige tijden’, kwamen mensen uit wetenschap, overheid en partijen uit de stad bij elkaar. Wetenschappers hoorden waarmee beleidsmedewerkers en burgers worstelen. Andersom schetste Suzan als een van onze gastsprekers het grotere plaatje gebaseerd op gedegen onderzoek en historisch besef. Haar verhaal was extra krachtig, gezien de toen aanstaande excuses van de Gemeente Leiden voor haar rol in het koloniaal- en slavernijverleden.

Abozyid: ‘De kennis die activisten en organisaties met zich meebrengen is enorm belangrijk. Het waren namelijk niet wetenschappers die als eerste aandacht vroegen voor racisme. We staan in een traditie van mensen die ontzettend veel werk hebben verzet.’

   Uiteindelijk gaat het om een systeem waarin macht en privilege eerlijker worden verdeeld’

Suzan Abozyid studeerde Geschiedenis en Arabische Taal en Cultuur en doet promotieonderzoek bij het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit Leiden. Ze onderzoekt de geschiedenis van integratiebeleid in Nederland sinds 1945. In het bijzonder de invloed van koloniale erfenissen op de sociaaleconomische, geracialiseerde en gendergerelateerde dimensies van integratiebeleid.

Raphaël Boon is projectleider diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid (DIG) bij de Gemeente Leiden, gericht op de interne organisatie. Met het programma Leiden Inclusief werd intern en extern aan meer inclusie gewerkt. Dit jaar is Leiden brons-winnaar van de European Capitals of Inclusion and Diversity Award. 


 


Dit artikel komt uit de nieuwe Leiden-Delft-Erasmus white paper 'Dilemma's van Diversiteit'. De paper is te downloaden via deze link. Wilt u een papieren exemplaar ontvangen? Stuur een e-mail aan Katja Hoiting via k.hoiting@tudelft.nl

Meer informatie vindt u op:
White paper Dilemma's van Diversiteit (PDF)