Van visvellen uit de Galápagos tot marktafval uit Rotterdam: Circular Communities keert terug naar huis

Op de avond van woensdag 17 juni vulden 110 verschillende type mensen de Keilezaal in Rotterdam en sloten nog eens 20 mensen zich online aan: samenwerkingspartners die via een videoverbinding vanuit Nairobi en de Galápagos deelnamen, een onderzoeker die om twee uur ’s nachts vanuit Singapore inbelde, een bosbeheerder uit Gelderland en een marktcoöperatie uit de Afrikaanderwijk, een paar kilometer verderop. Ze waren er om dezelfde reden: de tweede editie van Circular Communities, het boek waarin wordt betoogd dat de circulaire economie niet iets is dat je voor gemeenschappen ontwerpt, maar iets wat gemeenschappen al generaties lang doen, in hun eigen woorden en op hun eigen voorwaarden.

Wat is er veranderd sinds het eerste boek?

De eerste editie, gepubliceerd in 2022, bracht Nederlandse buurtinitiatieven in kaart. De tweede editie gaat een stap verder: ze wordt wereldwijd, voegt voorbeelden uit Indonesië, Kenia en de Galápagos toe aan de Nederlandse, en zoomt uit van de buurt naar de regio.

Auteurs Els Leclercq, Fátima Delgado Medina en Mo Smit legden uit wat er nieuw is in het boek. Hun belangrijkste hulpmiddel heet de ‘Circular Value Flower’. Deze helpt bij het analyseren en ontwerpen van circulaire systemen. Nu heeft het een nieuwe laag: de praktische stappen die nodig zijn om daadwerkelijk een kringloop te sluiten. Oogsten, opslaan, verwerken, distribueren, toegang. Elke stap roept een vraag op. Wie heeft de ruimte om water of materialen te oogsten? Wie is de eigenaar van de plek waar dingen worden opgeslagen? Wie mag gebruikmaken van wat daar wordt verwerkt? Het klinkt eenvoudig. Maar toen het team dit voor elk geval in kaart bracht, van een dorp in Indonesië tot een markt in Rotterdam, kwam steeds hetzelfde probleem naar voren. De kringloop loopt bijna altijd vast op een van de volgende vier punten: ruimte, tijd, geld of eigendom.

Er vindt ook een grotere verschuiving plaats, die meer te maken heeft met het concept zelf. Vroeger richtte het boek zich op circulariteit op buurtniveau. Nu zoomt het uit naar het regionale niveau. Hout wordt uit verschillende gemeenten betrokken en gedeeld. Rivier corridors houden niet op bij de stadsgrens, dus het denkwerk zou dat ook niet moeten doen. Door dit alles loopt een concept dat is geïntroduceerd door masterstudent Noa Buijsman. Het is gebaseerd op het Mi’kmaw-principe van Etuaptmumk, verwoord door Elder Albert Marshall, en wordt soms ‘zien met twee ogen’ genoemd. Het idee is eenvoudig: bekijk hetzelfde probleem tegelijkertijd door een westerse bril en een inheemse bril, zonder dat de ene de andere tenietdoet. Zoals Fátima Delgado Medina het verwoordde: ‘Soms is het de taak van de onderzoeker om te herkennen wie de echte expert in de kamer is, en dat is niet de onderzoeker.’

Daniel Vivas Villalbas and Natalia Tribaldos (both MSc students from the Industrial Ecology program)

Fátima Delgado Medina, Daniel Vivas Villalbas en Natalia Tribaldos (Daniel en Natalia zijn beiden masterstudenten van de opleiding Industriële Ecologie die deelnamen aan Fátima’s cursus over regeneratief ondernemerschap in het Globale Zuiden. De rituelen vormden een vast onderdeel van de cursus.
 Photo credits: Robèrt Kroonen

Een ritueel, een lied, een visser die geen metafoor is

Voorafgaand aan het panel maakten de auteurs plaats voor een rituele ruimte onder leiding van Fátima Delgado Medina, Daniel Vivas en Natalia Tribaldos. Het begon met een welkomstwoord in vijf talen tegelijk: „Bienvenidos, Karibuni, Selamat datang, Wilujeng sumping, Welkom”, gepresenteerd als vijf talen, vijf plaatsen, één boek.

Daarna volgde een geleide meditatie: adem in, stel je Rotterdam voor, laat het water je meevoeren over de Atlantische Oceaan naar de Stille Oceaan, naar de Galápagos bij zonsopgang, waar een visser al wakker is en zijn uitrusting controleert voordat hij de zee opgaat. Het punt kwam een tel later, opzettelijk bot: „De visser is niet verzonnen. Hij staat in dit boek. Hij is het boek.” Zijn kennis, van getijden, van het gedrag van vissen, van het verwerken van huid tot leer, werd beschreven als relationeel, doorgegeven via verwantschap in plaats van erkend als expertise door een instelling die waarde meet aan de hand van exploitatie.

Het ritueel werd ook onderbroken om Totó La Momposina te eren, de Colombiaanse zangeres die enkele weken voor de lancering was overleden, als iemand die “haar accent nooit verzachtte” en “nooit ophield met zingen over het land waar ze vandaan kwam,” een eerbetoon dat tevens diende als inleiding tot een lied, El Pescador, dat live in het Spaans werd uitgevoerd en gaat over het dagelijkse gesprek van een visser met de maan, het strand en de zee.

Het ritueel werd afgesloten met de zin die tevens de stelling van het boek vormt: de gemeenschappen “zijn geen onderzoeksobjecten, maar dragers van kennis.” De uitnodiging was om van hen te leren, niet om kennis uit hen te halen.

De stemmen waar het boek eigenlijk over gaat

Daarna volgde een video waarin de mensen werden samengebracht wiens praktijken de pagina’s van het boek vullen. Zoals Fátima Delgado Medina het achteraf samenvatte: “Elke gemeenschap gaf een verschillend antwoord. Elke gemeenschap gaf hetzelfde antwoord.”

In Puerto Ayora, op de Galápagos, is Vicente Erazo visser en voorzitter van de Pelican Bay-coöperatie. Hij beschreef hoe hij vissenhuiden, koppen en ingewanden verwerkt tot lederwaren, meststof en collageen: extra inkomsten voor een coöperatie die klem zit tussen natuurbeschermingsregels en industriële concurrenten. Valeria Ascencio, dochter van een van de vissers van de coöperatie, verwoordde het eenvoudiger: “el conjunto de todas las partes de un sistema y cómo se benefician entre unas y otras” (het geheel van alle onderdelen van een systeem en hoe ze elkaar ten goede komen). Een circulaire gemeenschap bestaat uit al deze onderdelen die samenwerken, inclusief de delen van de vis die niemand anders wil, die worden omgezet in iets verkoopbaars in plaats van afval.

In Nairobi, langs de Mathare-rivier, verrichten vier maatschappelijke organisaties het onglamoureuze werk om een vervuilde rivier weer tot leven te brengen. Alvin Ochieng van LEWMO haalt huisvuil huis-aan-huis op en beheert een terugkoopsysteem. Davis Thuo van Easy Urban Green Growers zet afval van de zwarte soldaatvlieg om in meststof en veevoer, en legt het concept aan schoolkinderen uit in het Sheng, omdat die taal echt aanslaat. Tom Agola van Youthprinua runt een ‘afval-voor-water’-ruilprogramma dat recyclebare materialen omzet in toegang tot schoon water. De lezing ging niet over technologie. Het ging over waardigheid, banen en een schonere rivier.

In Bandung, Jakarta en Bali werken het Fashion Village Lab, Kampung Kollektief en Bale Bengong, samen met een team van Indonesische en Nederlandse ontwerpers, aan het herstellen van de schade die de wereldwijde mode-industrie heeft aangericht aan de kampung-gemeenschappen langs de rivier. In Bandung betekent dat het nieuw leven inblazen van het batikambacht, zowel als ambacht als bron van inkomsten. In Jakarta betekent het iets anders: verplaatsbaar straatmeubilair. Zelfs nadat een gemeenschap is verhuisd en haar vaste grond heeft verloren, zorgt dit meubilair ervoor dat mensen hun gezamenlijke openbare leven kunnen voortzetten, het soort leven dat is opgebouwd rond fruitbomen en schaduw. En op Bali werkt Bale Bengong vanuit Tri Hita Karana, het Balinese principe van harmonie tussen het spirituele, het sociale en het ecologische, als basis waarop circulaire praktijken zijn gebouwd.

Dichter bij huis, in de Afrikaanderwijk in Rotterdam, verzorgt een buurtcoöperatie nu het afvalbeheer voor de lokale markt. Vroeger deed de gemeente dit. Nu doet de coöperatie het, en de resultaten zijn duidelijk: 96% van het afval wordt gerecycled, twaalf bewoners hebben een baan en hun informatiepunt is een echte sociale ontmoetingsplaats geworden. Ivan Richardson, medewerker van het informatiepunt, omschrijft het werk eenvoudig: het wordt gedaan “met een hart vol liefde”.

In ‘t Gooi en Vechtstreek speelt zich een soortgelijk verhaal af. Al 650 jaar lang kent deze regio een traditie van gezamenlijk bosbeheer door de gemeenschap. Nu wordt die traditie weer gekoppeld aan iets praktisch: lokale woningbouw. Het hout wordt gekapt omwille van de biodiversiteit, maar in plaats van het uit de regio te verschepen, wordt het gebruikt om ter plekke huizen te bouwen.

Waar het panel daadwerkelijk over discussieerde

Het panel, getiteld “De Toekomst van Circulariteit in Onze Steden“, bracht Annet van Otterloo (Coöperatie Afrikaanderwijk), Peter Kampen (Geldersch Landschap & Kasteelen) en Mo Smit bijeen, terwijl Bosibori Barake, Ángela M. Díaz-Márquez en Tita Larasati via videoverbinding vanuit Nairobi, Ecuador en Singapore deelnamen.

Het was 2 uur ’s nachts in Singapore toen Tita Larasati zich bij het gesprek voegde. Haar onderwerp was de Circular Value Flower, het belangrijkste hulpmiddel uit het boek. Volgens haar werkt het goed voor één ding: mensen helpen om aan buitenstaanders uit te leggen wat ze al doen. Maar er ontbreekt nog iets. Ontwerpers en wetenschappers, zo zei ze, zien niet altijd hoe dat werk aansluit bij een groter doel.

Vanuit Ecuador ging Ángela M. Díaz-Márquez nog een stap verder. Als onderzoeker en innovatiespecialist voor hoger onderwijs en onderzoek aan de Universidad de las Américas (UDLA) werkt ze al sinds het begin van het project samen met de Pelican Bay Cooperative, en haar argument was duidelijk: Besluitvormers op de Galápagos hebben de neiging om kennis te negeren die niet op schrift staat of niet in hun eigen taal wordt uitgedrukt. Onderzoekers, zo stelde ze, moeten ophouden met het behandelen van lokale kennis als iets dat van een afstand moet worden verzameld en beoordeeld. Het moet gewoon als kennis worden beschouwd, punt uit. Wat het werk op de Galápagos volgens haar mogelijk maakte, was niet de komst van een methode uit Delft, maar het langzaam opbouwen van een samenwerking waarin vissers, academici, chef-koks en ondernemers elk een deel van het probleem in handen hadden, en niemand het geheel. Circulaire praktijken op de eilanden begonnen niet toen onderzoekers er een naam aan gaven; ze begonnen toen de coöperatie besloot dat de delen van de vis die niemand wilde, het waard waren om te behouden.

Bosibori Barake uit Nairobi, coördinator van de stedelijke programma’s bij Nuvoni, was het met beide punten eens en ging er nog een stap verder op in aan de hand van vier concrete problemen waarmee gemeenschappen te maken hebben:

  • Hun werk voor de natuur en de samenleving wordt in geen enkele officiële statistiek meegeteld.
  • Ze hebben geen gegarandeerde rechten op hun eigen land, waardoor investeren daarin riskant is.
  • De mensen die de touwtjes in handen hebben wat betreft geld en beleid, weten niet eens dat dit werk bestaat.
  • Verschillende gemeenschapsgroepen delen hun middelen niet, waardoor er geen verbinding ontstaat met één groter systeem.

Haar boodschap ging niet over het vanaf nul opbouwen van nieuwe systemen. Het ging erom te erkennen wat gemeenschappen al hebben opgebouwd, dit te verbinden met mensen met geld en macht, en te helpen dit te vertalen naar iets dat instellingen daadwerkelijk kunnen begrijpen en ondersteunen. Zoals ze het zelf verwoordde: Deskundigen zouden niet voor gemeenschappen moeten ontwerpen. Ze zouden de kennis die al binnen gemeenschappen aanwezig is, voor iedereen zichtbaar moeten maken.

Annet van Otterloo kreeg een vraag: hoe deel je kennis als de taal daar niet echt voor geschikt is? Haar antwoord was eenvoudig en direct. Je voelt het. Je werkt samen alsof je één lichaam bent, één organisme. En je doet niet alsof het taalprobleem er niet is, je gaat er gewoon mee om.

Vervolgens nam Peter het woord. Hij werkt in het bosbeheer en denkt daarom in veel langere tijdsbestekken dan de meeste mensen. Hij maakte één eenvoudig punt duidelijk: een 80-jarige boom is ouder dan iedereen in de zaal. Zo traag verloopt de daadwerkelijke regeneratie van bossen.

Wat nu?

De auteurs zien het boek als een startpunt. De volgende stap is een wereldwijd leerplatform dat de gemeenschappen uit het boek met elkaar verbindt, van de Galápagos tot Nairobi tot de Afrikaanderwijk, zodat ze rechtstreeks van elkaar kunnen leren in plaats van via een Nederlands onderzoeksteam als enige gemeenschappelijke schakel. Er is ook de uitgesproken ambitie om praktijken uit de gemeenschappen om te zetten in formats die instellingen daadwerkelijk kunnen gebruiken: beleidsnota’s, gedeelde kaders, het soort documentatie dat financiering en erkenning mogelijk maakt in plaats van deze te blokkeren.

Bestel ‘Circular Communities’ (2e editie) hier!

Circular Communities boekCirculaire gemeenschappen: Leren van Wereldwijde Praktijken (2e editie) is uitgegeven door nai010 publishers, in samenwerking met de Afrikaanderwijk Coöperatie (Rotterdam), de Pelican Bay Coöperatie (Galápagos), het Bioregionaal Bouwprogramma (Gooi en Vechtstreek), LEWMO, Easy Urban Green Growers, Youthprinua en Tempo Arts Centre (Nairobi), het Fashion Village Lab (Bandung), het Kampung Kollektief (Jakarta) en Bale Bengong (Denpasar, Bali); in samenwerking met het Nuvoni Centre for Research, het Delft Centre for Entrepreneurship, de Circular Community Foundation, de Universidad de las Américas (UDLA, Ecuador), het Instituut voor Biologie van de Universiteit Leiden en IHS Erasmus Universiteit Rotterdam. 

Het onderzoek werd ondersteund door het Leiden-Delft-Erasmus (LDE) Global Fund, het Galápagos Life Fund, de provincie Noord-Holland, Built by Nature, de Technische Universiteit Delft, de gemeenten Hilversum, Huizen en Gooise Meren, het Waterschap Amstel Gooi- en Vecht, de gemeente Bandung, het Fonds voor de Creatieve Industrieën NL, Nederlands Ondernemingsagentschap, MVO Nederland, Alliander, Philips, C&A, de Dutch Design Foundation, Erasmus Huis en Playo.