Hoe worden duurzaamheidsambities omgezet in concrete actie? Dit jaar werkten studenten van de masteropleidingen Industrial Ecology en Governance of Sustainability samen met gemeenten, de publieke sector, onderzoeksinstituten, ministeries, bedrijven en ngo's aan het aanpakken van echte duurzaamheidsuitdagingen. De onderwerpen varieerden van energietransities en het beoordelen van duurzame landbouw tot het vinden van project-KPI's voor het meten van de impact van duurzame initiatieven, en nog veel meer! Aan het einde van het project en tijdens het jaarlijkse symposium op 22 januari 2026 in Den Haag werden 26 verschillende projecten gepresenteerd, elk met een unieke probleemstelling.
Door samen te werken met externe partners worden studenten geconfronteerd met de complexiteit van duurzaamheidstransities, waarbij ze een evenwicht moeten vinden tussen ambitieuze langetermijndoelen en praktische beperkingen, belangen van belanghebbenden en gegevens uit de praktijk. Hieronder worden vijf voorbeeldige samenwerkingsprojecten uit de cursus Sustainability Challenge 2025-2026 belicht.
Brute Bonen: Vergelijking tussen agroforestry en conventionele koffie
Samen met het in Den Haag gevestigde koffiebedrijf Brute Bonen hebben vijf studenten Industriële Ecologie twee levenscyclusanalyses (LCA's) uitgevoerd om de milieu-impact van agroforestry-koffieproductie te vergelijken met die van conventionele monocultuursystemen.
De analyse combineerde primaire gegevens van de agroforestry-boerderijen van Brute Bonen in Bolivia met secundaire gegevens over conventionele koffieproductie in Brazilië, waarbij beide waardeketens werden gevolgd via verwerking, transport en consumptie in Nederland. Naast het kwantificeren van de milieu-impact, onderzocht het project ook hoe inzichten op het gebied van duurzaamheid op een duidelijke en geloofwaardige manier aan klanten kunnen worden gecommuniceerd.
Deze samenwerking laat zien hoe datagestuurde analyse de transparantie kan vergroten en kan bijdragen aan meer onderbouwde duurzaamheidsclaims binnen voedselwaardeketens.
Voor de studenten bood het project de kans om een LCA, een kernmethode in de industriële ecologie, toe te passen op een praktijkcase. Het werken met echte gegevens bracht de complexiteit van duurzaamheidsmodellering aan het licht, van de beschikbaarheid van gegevens tot methodologische keuzes, en liet zien hoe deze beslissingen de resultaten in de praktijk beïnvloeden. Het studententeam van Brute Bonen concludeerde:
Het gebruik van LCA in een praktijkproject voelde als het oplossen van een puzzel. Je kent de theorie, maar het vinden van de juiste gegevens en het maken van weloverwogen keuzes is in de praktijk veel uitdagender. Tegelijkertijd was het ontzettend waardevol om te zien hoe ons werk een bedrijf echt kon helpen inzicht te krijgen in zijn impact.'
De samenwerking was ook persoonlijk boeiend voor studenten, omdat technische analyse werd gekoppeld aan een bekend alledaags product.
Voor Jop Bröcker, commissaris en CEO van Brute Bonen, waren de resultaten niet alleen van grote invloed op zijn missie om de voordelen van agroforestry aan te tonen, maar ook op persoonlijk vlak:
Ik vond het geweldig om de opwinding van de studenten te zien – de twinkeling in hun ogen toen ze zich in het onderwerp verdiepten, hun eerste resultaten vonden en oprecht blij waren om aan iets te werken waar ze om gaven. Dat was heel bijzonder om te zien.'
De bevindingen waren bemoedigend voor Brute Bonen, omdat ze een opvallend lage impact in verschillende categorieën aantoonden en het vertrouwen in hun agroforestry-aanpak versterkten. Geïnspireerd door de samenwerking heeft een studente besloten om voor haar thesis verder te werken met Brute Bonen. Ze zal zich daarbij richten op de vraag hoe de impact van agroforestry op de biodiversiteit kan worden gemeten, een onderwerp dat buiten het bestek van dit project valt.
Bellona: Koolstofemissies bij betoncarbonisatie
Bellona Europa, een onafhankelijke non-profit milieuorganisatie die zich bezighoudt met industriële decarbonisatie, benaderde de Sustainability Challenge met een complexe en actuele beleidsvraag. Hoewel bekend is dat beton tijdens zijn levensduur CO₂ opnieuw opneemt via een proces dat recarbonisatie wordt genoemd, bestaat er nog steeds geen duidelijke consensus over hoe dit in de klimaatboekhouding moet worden geclassificeerd:
Moet recarbonisatie worden behandeld als een emissiereductie, een koolstofverwijdering of iets heel anders? En als het wordt gecrediteerd, wie in de concrete waardeketen moet dan die krediet krijgen?
Dit gebrek aan duidelijkheid vormt een reëel risico op inconsistente boekhouding en greenwashing, wat vooral relevant is nu de EU haar certificeringskader voor koolstofverwijdering ontwikkelt. Een verkeerde classificatie kan onbedoeld verkeerde praktijken in de hele waardeketen van cement en beton stimuleren.
Dat is waar vijf studenten Industriële Ecologie in beeld kwamen. In nauwe samenwerking met Bellona Europa gingen de studenten aan de slag om structuur en duidelijkheid te brengen in dit grijze gebied.
Ze combineerden een grondige analyse van wetenschappelijke literatuur met interviews in de hele waardeketen van cement en beton, waarbij ze zorgvuldig het fysieke proces van recarbonisatie scheidden van de beleidsprikkels die worden gecreëerd door de manier waarop het wordt geclassificeerd. Hun werk vertaalde complexe wetenschappelijke, filosofische en bestuurlijke debatten naar een duidelijke, beleidsrelevante analyse van hoe recarbonisatie zou kunnen en moeten worden behandeld in emissierekenkaders.
Voor de studenten bood het project een zeldzame kans om systeemdenken, duurzaamheidsbeoordeling en stakeholderanalyse toe te passen op een live EU-beleidsdebat met reële gevolgen. Naast deskresearch woonden ze ook Bellona's 2025 Climate Action Conference in Brussel bij, waar ze beleidsmakers, ngo's en vertegenwoordigers van de industrie persoonlijk ontmoetten en zo uit de eerste hand inzicht kregen in hoe discussies over klimaatbeleid in de praktijk verlopen.
Door deel te nemen aan de conferentie en rechtstreeks in contact te komen met het Bellona-team, belangrijke belanghebbenden en grote EU-actoren, hebben we niet alleen meer inzicht gekregen in ons project, maar ook in het bredere ecosysteem van het klimaatbeleid.'
Vanuit het perspectief van Bellona Europa bood de samenwerking zowel analytische diepgang als nieuwe perspectieven. Volgens Marco Sirotti, adviseur op het gebied van koolstofuitstoot bij Bellona Europa, hielp het werk van de studenten om de implicaties van classificatiekeuzes, die vaak over het hoofd worden gezien, bloot te leggen.
Dit is geen onderwerp dat je alleen met gegevens kunt oplossen. Het gaat om definities, systeemgrenzen en de prikkels die je creëert, en de studenten hebben echt geholpen om die complexiteit te ontrafelen.'
TDe resultaten zullen rechtstreeks worden meegenomen in Bellona's komende standpuntnota over recarbonatie en zullen dienen als wetenschappelijke basis voor het betrekken van beleidsmakers en belanghebbenden bij de verdere ontwikkeling van de EU-kaders voor klimaatboekhouding.
Over het geheel genomen laat het project zien hoe toegepast studentenonderzoek kan bijdragen aan een transparanter, geloofwaardiger en eerlijker klimaatbeleid, waardoor wordt gewaarborgd dat de boekhoudregels in de Europese cement- en betonsector leiden tot daadwerkelijke emissiereducties in plaats van onbedoelde mazen in de wet.
Harvest Care: Financiering van 'voeding als medicijn'
Harvest Care is een Nederlandse non-profitorganisatie die zich bezighoudt met initiatieven op het gebied van ‘voeding als medicijn’ en actief is op het snijvlak van gezondheidszorg, voeding en duurzaamheid. Ze staan echter voor een duidelijke uitdaging: hoewel hun programma's veelbelovende gezondheidsvoordelen opleveren voor mensen met diabetes, blijft de financiering op lange termijn en structureel onzeker. Hoewel er vaak startkapitaal beschikbaar is, blijkt het moeilijk om op voeding gebaseerde interventies in het gezondheidszorgsysteem te integreren en vergoeding door verzekeraars te verkrijgen.
In opdracht van Harvest Care ging een team van studenten Governance of Sustainability aan de slag om te onderzoeken hoe soortgelijke Food-as-Medicine-programma's worden gefinancierd en institutioneel verankerd. Ze besloten om naar de Verenigde Staten te kijken, waar dergelijke initiatieven meer ingeburgerd zijn. Het project beoordeelde ook de milieu-impact van de door Harvest Care aanbevolen diëten in vergelijking met conventionele Nederlandse diëten, waardoor een duurzaamheidsperspectief werd toegevoegd aan de op gezondheid gerichte discussie. Door middel van literatuuronderzoek, interviews en cross-case-analyse heeft het team vastgesteld welke financiële structuren, bestuursmodellen en institutionele voorwaarden de levensvatbaarheid op lange termijn ondersteunen. Ze hebben met succes vastgesteld welke lessen wel (of niet) kunnen worden toegepast in de Nederlandse context.
Voor de studenten bood het project een unieke interdisciplinaire ervaring op het snijvlak van gezondheid, duurzaamheid en beleid. Ze moesten een breed, reëel probleem afbakenen, omgaan met veranderende verwachtingen en een evenwicht vinden tussen academische nauwkeurigheid en praktische relevantie. Een student zei hierover:
Het is een heel interessante wisselwerking tussen academische vereisten en de werkelijke doelstellingen van de opdrachtgever. Leren om daarmee om te gaan, is ontzettend waardevol geweest.'
Voor Harvest Care leverde de samenwerking concrete, empirisch onderbouwde inzichten op ter ondersteuning van discussies met beleidsmakers en belanghebbenden in de gezondheidszorg, waardoor de argumenten voor een structurele integratie van Food as Medicine-initiatieven in het Nederlandse gezondheidszorgstelsel werden versterkt. Het project was vooral zinvol voor de studenten die aan het einde van hun masteropleiding stonden, omdat het hen inspireerde voor hun toekomstige carrière:
Ik zie mezelf in de toekomst wel aan een soortgelijk initiatief werken.'
Gedurende het hele project hebben de studenten zich door een breed en steeds veranderend werkterrein bewogen, waarbij ze hebben geleerd om een evenwicht te vinden tussen academische nauwkeurigheid en de praktische behoeften van een startende organisatie. Sterke samenwerking, open communicatie en praktische probleemoplossing onder reële omstandigheden stonden centraal in hun ervaring. Over het geheel genomen illustreert het project hoe studentenonderzoek baanbrekende initiatieven op zinvolle wijze kan ondersteunen door veelbelovende ideeën te helpen vertalen naar benaderingen die geloofwaardig, schaalbaar en duurzaam zijn.
Gemeente Den Haag: KPI's definiëren voor klimaatbestendigheid in 2050
Vijf ambitieuze studenten van Governance of Sustainability werkten samen met de gemeente Den Haag aan een van de meest ambitieuze langetermijndoelstellingen van de stad: klimaatbestendig worden tegen 2050. Hoewel deze ambitie in heel Nederland breed wordt gedeeld, blijft het een complexe taak om deze om te zetten in concrete, meetbare vooruitgang.
Klimaatbestendigheid is nog steeds een opkomend beleidsterrein. Hoewel er strategische doelstellingen zijn vastgesteld, ontbreekt het gemeenten vaak aan duidelijke manieren om te controleren of het beleid daadwerkelijk het beoogde effect heeft. Zonder duidelijk omschreven Key Performance Indicators (KPI's) wordt het moeilijk om de voortgang te beoordelen, hiaten te identificeren of de inspanningen van verschillende afdelingen op elkaar af te stemmen. Deze uitdaging wordt nog vergroot door verschillen tussen steden op het gebied van klimaatstressfactoren, beschikbaarheid van gegevens en bestuursstructuren.
Het studententeam ondersteunde de gemeente door te onderzoeken hoe ambities op het gebied van klimaatbestendigheid kunnen worden geoperationaliseerd door middel van zinvolle, beleidsrelevante KPI's. Op basis van academische literatuur, nationale en gemeentelijke beleidsdocumenten en voorbeelden uit andere steden ontwikkelden ze een brede en flexibele reeks potentiële indicatoren. In plaats van één enkel rigide kader voor te stellen, lag de focus op het creëren van een praktisch ‘menu’ van KPI's dat een evenwicht biedt tussen wetenschappelijke onderbouwing en haalbaarheid in de praktijk, waardoor de gemeente indicatoren kan selecteren die passen bij haar specifieke context en gegevenslandschap.
Klimaatbestendigheid is iets wat we vaak in theorie bespreken, maar door met concrete indicatoren te werken, hebben we gezien hoe complex en essentieel de stap van ambitie naar meting werkelijk is.'
Door aan dit project te werken, kregen studenten uit eerste hand ervaring met de realiteit van consultancy in de publieke sector. Door te navigeren tussen nationale strategieën en lokale implementatie werd duidelijk hoe experimenteel en bottom-up klimaatbestendig bestuur nog steeds is. Het project vereiste ook voortdurende omgang met onzekerheid, beperkte gegevens en methodologische afwegingen, wat een afspiegeling is van de uitdagingen waarmee professionals worden geconfronteerd bij het ontwerpen van monitoringsystemen die in de praktijk ook echt moeten werken. Tegelijkertijd heeft de nauwe samenwerking met gemeentemedewerkers, onder meer in de vorm van persoonlijke bijeenkomsten, bijgedragen aan wederzijds begrip en de kwaliteit van het eindresultaat versterkt.
Vanuit het perspectief van de gemeente heeft de samenwerking zowel analytische capaciteit als een frisse blik opgeleverd. Volgens Thomas Hess, coördinator duurzaamheidsverslaglegging bij de gemeente Den Haag, heeft het werk van de studenten een waardevolle basis gelegd voor toekomstige beleidsontwikkeling.
Ze brachten een frisse blik mee en combineerden academische inzichten met onze gemeentelijke context. Het resultaat is een evenwichtig overzicht van indicatoren waarmee we echt aan de slag kunnen, een sterke basis voor hoe we verdergaan met het meten van klimaatadaptatie.'
De gemeente is van plan om de resultaten te gebruiken als referentiepunt bij de verdere ontwikkeling van haar monitoringaanpak voor klimaatadaptatie en veerkracht. Hoewel niet elke indicator direct zal worden toegepast, vormt het werk een solide uitgangspunt voor het structureren van toekomstig beleid en gegevensinspanningen.
Het Nieuwe Normaal: Institutionalisering van een gemeenschappelijke circulaire infrastructuurtaal
Het Nieuwe Normaal is een raamwerk dat is ontwikkeld om een gemeenschappelijke taal te creëren voor circulaire bouw en infrastructuur in Nederland. Hoewel het raamwerk nauw aansluit bij de nationale duurzaamheidsambities, is het nog niet volledig geïnstitutionaliseerd. Als gevolg daarvan lopen de interpretaties van wat ‘circulariteit’ in de praktijk betekent nog steeds sterk uiteen binnen de wegeninfrastructuursector, wat de implementatie en meting ervan bemoeilijkt.
In samenwerking met Het Nieuwe Normaal heeft een team van studenten Governance of Sustainability onderzocht hoe dit raamwerk tegen 2030 kan worden geïntegreerd in het beleid en het bestuur voor wegeninfrastructuur. De centrale uitdaging was duidelijk: hoewel circulaire ambities breed worden onderschreven in het beleid, ontbreekt een consistente aanpak om deze te vertalen naar de dagelijkse besluitvorming en institutionele praktijk.
Om deze uitdaging aan te gaan, analyseerden de studenten een breed beleidslandschap, waarbij ze nationale en EU-beleidsdocumenten bestudeerden en interviews afnamen met belangrijke belanghebbenden uit de hele sector. Met behulp van instrumenten uit de transitietheorie, zoals het Multi-Level Perspective, de X-curve en lock-in-analyse, onderzochten ze hoe circulaire ambities momenteel worden geformuleerd en waar er discrepanties bestaan tussen doelstellingen en uitvoering. Samen met belangrijke belanghebbenden uit de industrie en de overheid hebben de studenten backcasting-workshops gehouden om langetermijnambities te vertalen naar concrete en gecoördineerde trajecten. Deze aanpak hielp bij het identificeren van belemmeringen, hefboompunten en strategische opties voor het institutionaliseren van een gemeenschappelijke circulaire taal.
Een belangrijk inzicht uit het project is de aanhoudende kloof tussen ambitie en praktijk. Hoewel circulariteit sterk verankerd is in strategische visies, blijft de begeleiding bij het operationaliseren van deze doelstellingen beperkt. Als reactie hierop hebben de studenten verschillende mogelijke institutionaliseringsroutes ontwikkeld, variërend van sterkere verankering door de overheid tot marktgestuurde en bottom-up benaderingen waarbij gemeenten betrokken zijn. Samen bieden deze routes een gestructureerde manier om Het Nieuwe Normaal te integreren in bestuursstructuren.
Voor de studenten bood het project een waardevolle kans om te werken op het snijvlak van transitietheorie en praktijkbeleid. Het contact met belanghebbenden, het faciliteren van workshops en het vinden van een balans tussen academische diepgang en de behoeften van de opdrachtgever weerspiegelden nauwkeurig de realiteit van consultancywerk. Het project benadrukte ook het belang van samenwerking en reflectie binnen het team, aangezien het werken aan een langdurige, complexe opdracht voortdurende afstemming en constructieve communicatie vereiste.
Het evenwicht tussen academische diepgang en de behoeften van een echte opdrachtgever dwong ons om anders te denken en strategischer te werk te gaan dan bij een typisch universitair project.'
Voor Het Nieuwe Normaal heeft het onderzoek duidelijk gemaakt waar er al overeenstemming is met het bestaande beleid en waar nog gerichte maatregelen nodig zijn. Het project biedt een duidelijker overzicht van hoe het kader kan evolueren van een breed gedragen toolbox naar een meer geïnstitutionaliseerde norm binnen het beheer van de wegeninfrastructuur.
Over het geheel genomen laat de samenwerking zien hoe toegepast studentenonderzoek een zinvolle bijdrage kan leveren aan de transitie naar duurzaamheid, door een gemeenschappelijke taal te verduidelijken, systemische lock-ins te identificeren en te helpen bij het omzetten van circulaire ambities in gecoördineerde en uitvoerbare veranderingen.
- Artikel geschreven door Eva Brouwer & Aline Mellersh -