Hoe werken TU Delft en de Universiteit Leiden samen rond het thema Afrika?

Begin april kondigden de faculteit Bouwkunde van de TU Delft en het African Studies Centre Leiden een intensivering van hun samenwerking aan. Dit komt voort uit de LDE minor African Dynamics, waarin ook de Erasmus Universiteit participeert.  Mia Barnard van de TU Delft legt uit waarom de combinatie van disciplines zo belangrijk is als het gaat om kennis over Afrika. 

mia barnardHoe werken TU Delft en de Universiteit Leiden samen rond het thema Afrika? 

Wat deze samenwerking zo interessant maakt, is dat elke LDE-universiteit iets wezenlijk anders inbrengt. Aan de Universiteit Leiden heeft kennis over Afrika een lange academische traditie, met name via het African Studies Centre Leiden (ASCL). Onderzoek bestrijkt hier geschiedenis, antropologie, politiek en culturele dynamiek, en biedt een diep contextueel begrip van het continent. 

Aan de TU Delft verschuift het perspectief naar de gebouwde omgeving, verstedelijking, technologie en mondiale vraagstukken. Via initiatieven zoals de TU Delft Global Initiative, GROW en verschillende ontwerpstudio’s binnen de Faculteit Bouwkunde ligt de focus op hoe steden zich ontwikkelen, hoe infrastructuur vorm krijgt en hoe ontwerp kan inspelen op complexe, alledaagse realiteiten. 

De Erasmus Universiteit Rotterdam voegt daar een sterk economisch en ondernemend perspectief aan toe, met name via de Rotterdam School of Management. De minor African Dynamics bevindt zich op het snijvlak van deze benaderingen. In plaats van Afrika vanuit één discipline te benaderen, nodigt het programma studenten uit om verstedelijking, migratie, bestuur en klimaatvraagstukken vanuit meerdere perspectieven te onderzoeken, variërend van ruimtelijk ontwerp tot sociale wetenschappen. Het resultaat is een programma dat zowel stevig verankerd is in context als open in reikwijdte. 

Is deze samenwerking nieuw, en wat is het doel ervan? 

De samenwerking zelf is niet geheel nieuw. De minor draait al meerdere jaren succesvol binnen Leiden, Delft en Erasmus. Wat wél nieuw is, is dat de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft nu optreedt als primaire vertegenwoordiger van Delft, wat wijst op een actievere en meer betrokken rol. Voor de faculteit gaat het niet alleen om deelname, maar om het inhoudelijk mee vormgeven van de richting en verdere ontwikkeling van het programma. 

Daarnaast speelt er een bredere ambitie. Hoewel de minor momenteel vooral gericht is op onderwijs, fungeert deze duidelijk als opstap naar verdere samenwerking, met name op het gebied van stedelijke ontwikkeling. Verbindingen met initiatieven zoals het Nuvoni Research Centre suggereren dat wat in de collegezaal begint, kan uitgroeien tot langdurige onderzoeksrelaties. In die zin is de minor meer dan een toevoeging aan het curriculum; het is een schakel tussen onderwijs, samenwerking en toekomstig onderzoek. 

Waar bevindt de Afrika-expertise zich binnen Delft, Leiden en Rotterdam? 

Binnen de drie universiteiten is Afrika-expertise niet geconcentreerd op één plek, maar juist verspreid. Die spreiding vormt de kracht van de samenwerking. In Leiden is de expertise stevig verankerd in het ASCL, het enige multidisciplinaire kennisinstituut in Nederland dat zich volledig richt op Afrika. Aan de TU Delft is kennis vooral ingebed in de praktijk, binnen ontwerpstudio’s en internationale onderzoeksprogramma’s. Erasmus voegt daar een extra dimensie aan toe, met een focus op economische systemen, ondernemerschap en ontwikkeling. 

Beeld: Pexels / Mukula Igavinchi

De samenwerking wordt verder versterkt door partnerschappen met instellingen zoals de University of Nairobi, Kenyatta University en Maasai Mara University in Kenia, die fungeren als belangrijke Afrikaanse partners. De minor brengt deze verschillende kennislijnen samen. In plaats van ze afzonderlijk te ervaren, komen studenten er gelijktijdig mee in aanraking. Dit leidt tot een meer gelaagd en genuanceerd begrip van hoe sociale, ruimtelijke en economische krachten samen steden en samenlevingen vormgeven. 

Gaat het hier om onderwijs, onderzoek, of beide? 

Op dit moment ligt de nadruk bewust op onderwijs. Het opbouwen van een programma waarin studenten uit verschillende disciplines en contexten op een betekenisvolle manier met elkaar leren, vraagt om tijd, zorg en continuïteit. Tegelijkertijd reikt de ambitie verder. Vanuit de TU Delft bestaat er een duidelijke interesse om de samenwerking uit te breiden naar onderzoek, met name op het gebied van stedelijke ontwikkeling. 

De minor fungeert daarbij als proeftuin: een plek waar relaties ontstaan, ideeën worden verkend en gezamenlijke interesses zich ontwikkelen. Voor studenten vormt de minor bovendien een brug binnen hun academische traject. De vaardigheden die zij ontwikkelen, van fieldwork tot het omgaan met complexe sociale en ruimtelijke vraagstukken, sluiten direct aan op masterprogramma’s, bijvoorbeeld in de vorm van scripties of afstudeerprojecten. De minor verbindt zich daarmee vanzelfsprekend aan bredere initiatieven zoals de Global Initiative of LDE Global, en positioneert zich binnen een groter academisch ecosysteem. 

   De interdisciplinariteit beïnvloedt het leerproces fundamenteel.'

Wat de ervaring bijzonder maakt, is de diversiteit van de studentenpopulatie. Studenten van de TU Delft, Universiteit Leiden en Erasmus Universiteit Rotterdam brengen uiteenlopende achtergronden mee, van architectuur en engineering tot economie, antropologie en beleid. Deze interdisciplinariteit beïnvloedt het leerproces fundamenteel. 

Gesprekken verschuiven, aannames worden bevraagd en het wordt duidelijk dat geen enkele discipline op zichzelf staat. Studenten leren hun vakgebied te zien als onderdeel van een groter geheel van actoren, beslissingen en invloeden. In die zin vergroot de minor niet alleen kennis, maar verandert zij ook hoe studenten hun rol in de wereld begrijpen. 

Waarom is kennis over Afrika belangrijk voor studenten? 

Afrika herbergt enkele van de snelst groeiende steden ter wereld. Steden zoals Nairobi, Lagos en Accra groeien niet alleen snel, maar passen zich voortdurend aan en innoveren onder druk. Voor studenten uit verschillende disciplines bieden deze contexten waardevolle inzichten in de complexiteit van hedendaagse vraagstukken, van verstedelijking en bestuur tot klimaatadaptatie en economische ontwikkeling. Ze dagen bestaande denkkaders uit en openen ruimte voor nieuwe perspectieven. In de kern stimuleert de minor kritische reflectie. 

Studenten worden aangemoedigd om na te denken over welke kennis centraal staat, welke stemmen worden gehoord en hoe perspectieven de manier beïnvloeden waarop problemen worden gedefinieerd en opgelost. Deze uitwisseling krijgt concreet vorm in de samenwerking met studenten van Keniaanse universiteiten, waardoor het leerproces wederkerig wordt en gevormd wordt door diverse sociale, culturele en ruimtelijke realiteiten. 

   In de veldreis naar Kenia, verschuift de focus van theorie naar praktijk.'

Een belangrijk onderdeel van het programma is een zes weken durende veldreis naar Kenia, waarin de focus verschuift van theorie naar praktijk. Studenten werken samen met lokale instellingen en medestudenten, bouwen relaties op en gaan direct in interactie met de contexten die zij bestuderen. 

Bovenal maakt deze ervaring duidelijk dat kennis geen eenrichtingsverkeer is, maar ontstaat in uitwisseling, onderhandeling en ontmoeting. Het programma opent nieuwe manieren om te begrijpen hoe disciplines zich verhouden tot snel veranderende contexten, en hoe betekenisvollere oplossingen kunnen ontstaan door samenwerking. Voor studenten betekent dit geen onderbreking van hun studie, maar juist een verdieping ervan, waarbij zowel hun perspectief als hun verantwoordelijkheidsgevoel wordt vergroot.

Kwam dit voort uit de minor African Dynamics? 

Het vertrekpunt is breder. Binnen de Faculteit Bouwkunde bestaat al langer een ervaren lacune: het ontbreken van Afrika-gerichte (of Global South) inhoud in het bachelorprogramma. De minor speelt in op die behoefte, maar sluit ook aan bij een bredere ambitie: de dekolonisatie van het curriculum en de versterking van de internationale dimensie. 

Wat African Dynamics zo passend maakt, is dat het programma niet vanaf nul ontwikkeld hoeft te worden. Het is een bestaande samenwerking met Keniaanse universiteiten, met een doordachte opbouw van theorie naar veldwerk en digitale uitwisseling. Het biedt een combinatie van interdisciplinariteit, internationale betrokkenheid en praktijkervaring die zelden voorkomt binnen het huidige minoraanbod. 

Daarnaast vormt het programma een duidelijke brug naar mastertracks zoals Global Housing, door Global South-perspectieven al op bachelorniveau te introduceren. Het verbindt architectuur en stedelijke ontwikkeling met ondernemerschap via Erasmus, en met sociale en culturele perspectieven via Leiden’s ASCL. Dit zijn geen aanvullende invalshoeken, maar essentiële lenzen om te begrijpen hoe ruimtelijke projecten functioneren in de praktijk. 

Kortom, African Dynamics overlapt niet met het bestaande aanbod binnen de faculteit. Het vult het aan en verrijkt het, en biedt studenten een vormende ervaring die niet alleen hun studie beïnvloedt, maar ook de professionals die zij worden

Next article